Gedichten
Aan tafel
Aan tafel blijft mijn vader op veilige afstand
als ik om het zoutvaatje vraag dan zegt hij: Vang!
Iemand die eet mag je niet aanraken zegt hij
daar kun je een hartaanval van krijgen
Niemand van ons wil hem de dood injagen
dat laten wij over aan een toevallige voorbijganger
Moeder hoopt stiekem dat het die blonde is
waarmee hij ooit verkering had
Mijn zusje ontcijfert houdbaarheidsdatums
die mijn moeder heeft doorgestreept
De andere wil naar buiten om haar kat te roepen
zodat de buren haar kattenliefde niet kunnen ontkennen
Op het moment dat mijn vader zijn glas pakt
stoppen wij met eten en leggen wij ons bestek neer
Wij laten onze adem pas weer los
als hij klaar is en zich niet heeft verslikt
Donderdag
In haar keel wonen merels
ze voert ze thee met honing
en heel veel pottertjes
Bij de eerste zangnoot
fladdert er een jonge merel uit haar mond
hij landt op het aanrecht
kijkt mij brutaal aan
en pikt een pottertje
Dan trekt mijn moeder haar keel open
Merels vliegen met tientallen uit haar mond
de parkiet gaat tekeer
Ze vliegen in de lucht
van haar blauwe keukenschort
door de wolken van het witte plafond
Ze vliegen in koor door de huiskamer
door de open achterdeur
naar de hoge bomen in de zon
Daar wachten ze tot de avond valt
tot mijn moeder naar buiten komt
in haar mooiste kleren op tikkende hakjes
Op de fiets
Wij zijn een drie-eenheid op de fiets
jullie zijn mijn kleinste deeltjes
één voorop en één achterop
Wij racen door het universum
onze fiets een rollende baarmoeder
alle lichten springen op groen
Komt er een wolk voor dan bel ik
hard en dringend dat wij het zijn
Komt er vrachtwagen ons tegemoet
dan blaast ons wereldgebouw die omver
Niemand kan ons stoppen in onze
race tegen alles wat ons bedreigt
dat laat ik niet toe
Op bezoek
Hier is alles wit en de mensen zijn gek
fluistert mijn moeder bij de deur
Ze is altijd bang om door de mand te vallen
Op de gang loopt een man met een koffer
Hij is vertegenwoordiger en op reis
van zijn kamer naar de huiskamer
Helaas heeft hij veel oponthoud
De vrouw die de gasten ontvangt
vergeet steeds opnieuw dat ze zich al heeft voorgesteld
De zuster vraagt aan mijn zoon of hij een snoepje lust
Als hij ja zegt, krijgt hij een draai om zijn oren
Ze spuugt in zijn gezicht: vies NSB-kind!
Zie je wel, zegt mijn moeder
iedereen hier is knettergek
en ze propt haar mond vol met witte servetten
Zusje
Jij zit op het groene slaapkamermatje
in je zachtroze versleten ochtendjas
vergeet je de ijzige kou in je blote voetjes
je praat zachtjes tegen het schelpenkind
zo noemen wij de pop die alleen naar jou luistert
in een taal die niemand ons kan afpakken
vlecht je lange, zonnige zinnen van
strand, schelpen en schuimkoppen
voorzichtig om het schelpenkind heen
je vertelt hoe we in de duinen liggen
dat de vuurtoren wit is met een rood dak
en je hand streelt de mat van helmgras
langzaam verdwijnen je voetjes in warm zand
De dood heeft het koud
De dood heeft het koud onder je ruime huid
hij slaat je vel begerig om zich heen
verstijfd zie ik hoe ze jou weghalen
Alleen je afdruk blijft achter in je bed
het kussen nog warm, de dekens lauw
wacht ik wanhopig in je geur
Op het nachtkastje je mok nog halfvol
het washandje waarmee ik je mond
voor het laatst voorzichtig afveegde
Waarom gebeurt er niets?
de zon schijnt vrolijk in de kamer
beneden hangt je jas aan de kapstok
Paddenstoelen zouden uit het washandje
moeten schieten, je mok zou moeten splijten
er zouden motten uit je jas moeten vliegen
